We
spraken met Eric Marquet, technisch directeur van de BATD en Olivier Buchet,
informatieverantwoordelijke. Als bevoorrechte actoren én waarnemers
in de tenniswereld, vertelden zij ons meer over de verschillende aspecten
van het aanleren van de sport.
V. Kunnen jullie ons iets meer vertellen over
de stuctuur van de BATD ?
Eric : Het gaat om een pyramidale structuur die een twintig
tot vijfentwintigtal Belgische clubs groepeert. In sommige gevallen is
de BATD eigenaar van de club, in andere organiseren we enkel de tennisopleidingen.
Met pyramidaal bedoel ik dat we beginnen bij spelertjes van pas een jaar
of drie, hier op Primerose hebben we er zelfs een nog jonger, want we
beginnen al op de leeftijd van 18 maanden met de eerste trainingen van
de ontluikende psychomotoriek.Op driejarige leeftijd beginnen we te werken
aan de psychomotoriek die echt gericht is op het tennis. Zo kunnen we
het tennistalent ontwikkelen, maar niet tot elke prijs. We proberen per
centrum een kleine elite op te leiden, het Young Team, waarbij ervoor
gezorgd wordt dat die jongeren elkaar ontmoeten tijdens de schoolvakanties
en hetzelfde programma volgen, met onder meer stages in binnen- en buitenland.
V. Welke voordelen genieten clubs die zijn aangesloten
bij de BATD ?
Eric : We bieden hen een zekere stabiliteit en helpen
hen bij de organisatie van hun tennisopleidingen. Men moet daarvoor immers
trainers vinden, formules voor cursussen samenstellen, zorgen voor de
vervanging van zieke trainers, de jongeren die competitie spelen volgen,...
Dat soort bekommernissen overstijgt vaak de rol van de vrijwilligers die
een club beheren.
V. Wat is de rol van het mini-tennis ?
Eric : Die wordt steeds belangrijker: dat loopt vaak
op tot 25% van de activiteiten van de clubs. In België werd het mini
-tennis gelanceerd door Jean-Pierre Colot. Het werd destijds beschouwd
als een pluspunt voor getalenteerde jongeren. Vandaag biedt het mini-tennis
een onmiskenbaar voordeel voor alle jongeren. Het brengt de kinderen het
ludieke aspect van het tennis bij, de amusementsfactor. De keerzijde van
de medaille is dat men de kinderen vaak veel te jong in competitie brengt.
V. Denkt u dat er een zeker maturiteit nodig
is voor het deelnemen aan wedstrijden ?
Olivier : De kinderen zijn nog niet gewend om om te gaan
met winst en verlies, en met het effect van winst en verlies op hun ouders.
En vaak draait het in de opleiding van de elite om niets anders dan tennis.
Geen enkele structuur of club heeft het over het leren omgaan met winst
en verlies, of de visie van de kinderen en hun ouders daarop. En zo ontstaan
er absurde situaties: ouders die compleet gestresseerd geraken door de
match van hun kindjes. Maar het enige wat zou moeten tellen bij zo'n kleintjes
is dat ze met plezier op het veld staan, of ze nu winnen of verliezen.
Als je een carrière in het tennis wil, moet je immers niet sterk
zijn op je 10de, maar pas op je 20ste. Ik heb de indruk dat de Federatie
en de club dat laatste wel eens vergeten. Ik vind dat de meeste competities
bij de miniemen dan ook ridicuul zijn, omdat er een enorm niveauverschil
is tussen de goede en de slechte spelers. Dan zie je situaties waarin
er een jongen is die veel beter speelt dan de anderen, en ook alles met
sprekend gemak wint, waardoor alle andere spelers in het hoekje van 'de
slechten' worden geduwd, hoewel er in hun kwaliteiten heel wat gradatie
zit. Maar ze worden benadeeld door de vergelijking met de allerbesten,
waardoor ze het spel volledig beu raken. Op een bepaald moment ging het
echt die richting uit, toen de federaties de Bormanbeker bij de preminiemen
afschaften. Maar vandaag zien we ongelukkig weer een omgekeerde beweging
en er zijn zelfs competities op 12- meters terreinen.
Eric : Wat ook erg gevaarlijk is, zijn de escalaties
op het niveau van het aantal wedstrijden waaraan men deelneemt. De jongeren
en hun ouders beginnen te tellen hoeveel punten ze nodig hebben om een
goed klassement te bekomen. Daardoor gaan de kinderen niet alleen veel
te veel matchen spelen, maar ook nog eens veel te veel trainen, veel te
veel uren kloppen. Van jonge kinderen kan je niet verwachten dat ze 8
tot 10 uur per week trainen op een intensieve en efficiënte manier.
Ik pleit voor veel lichtere trainingslast, waarbij de kwaliteit van belang
is, en waarbij men doorheen de jaren stillaan meer uren kan gaan trainen.
Zoals Olivier net al zei: niet op je 10de maar op je 20e moet je sterkt
staan. Het is belangrijk dat de kinderen blijven spelen, er plezier in
blijven vinden, en rustige avonden hebben zodat ze harmonieus kunnen opgroeien.
V. Gaan jullie in de clubs op zoek naar jonge
talenten?
Eric : In elk van onze centra is er een competitieverantwoordelijke
die als taak heeft om niet alleen getalenteerde jongeren op te sporen,
maar ook jongeren te vinden die karakter hebben, die nog wat hulp kunnen
gebruiken maar wel gepassioneerd zijn en groeimarge hebben, want we weten
dat het niet enkel het talent is dat telt. Een minder begaafde jongere,
die echter wel gebeten is, die agressief is in de positieve betekenis
van het woord, die gemotiveerd is en moed heeft, die is ook heel waardevol.
V. Sommige jongeren duwt u in de richting van
de functie van trainer of coach. Wat zijn voor jullie de kwaliteiten van
een goede tennisleraar?
Eric : Men moet eerst en vooral gepassioneerd zijn door
het tennis, en dat zowel op het tactische als op het technische niveau.
Men moet elke dag willen evolueren, de progressie en de evolutie van het
spel willen volgen. Een andere kwaliteit is de moed, maar als men gepassioneerd
is is men ook moedig, dat vloeit daar wat uit voort. Daarenboven moet
men ook durven om zichzelf in vraag te stellen. En dat is het moeilijkst
in het vinden van professionele trainers. We zoeken mensen die de dingen
zo goed mogelijk willen doen, die er zich niet tevreden mee stellen op
tijd te komen, x uren les te geven, en weer te vertrekken. Het gaat erom
zichzelf steeds kritisch te evalueren, zich af te vragen: wat heb ik goed
gedaan, wat kan nog beter, en hoe ga ik dat aanpakken?
Olivier : Wat coaching en competitie betreft, moet men
-als men het echt wil maken- ook erg zelfzeker zijn en bereid zijn om
van de ene dag op de andere alles op losse schroeven te zetten. Daarvoor
moet men erg zelfzeker zijn, zeer competent en bereid om grote risico's
te nemen. We kunnen hier het voorbeeld geven van Carlos Rodriguez die
zijn job als trainer van Monami, die toendertijd tussen 10 en 20 op de
wereldranking stond, op te geven om met Justine Hénin te gaan werken.
Ik heb erg veel respect voor die man, want dat is pas echt risico's nemen.
Ik betwijfel of er veel mensen zijn die een top-twintigspeelster loslaten
om zich te gaan bezig houden met een meisje van 14 jaar, ook al heeft
het het talent van Justine Hénin.
V. Hoe verklaart u de moeilijkheden die u heeft
bij het vinden van goede trainers ?
Eric : Ik denk dat de jongeren wat fierheid en ambitie
missen, niet meer zoveel zin hebben om het goed te doen.
Olivier : Tien jaar geleden waren er een aantal tennisprofs
in België. Vandaag zijn er veel meer profs, veel meer tennisscholen,
veel meer jonge spelertjes, maar het aantal gepassioneerden is niet naar
verhouding gestegen. Die mensen zijn erg moeilijk aan te trekken, want
over het algemeen zijn de mensen gesettled en hebben ze hun eigen tennisschool.
V. Wordt een goede speler ook een goede leraar?
Olivier : Het is niet omdat men zelf goed kan spelen,
dat men ook een goede trainer is. We kunnen de vergelijking trekken met
het voetbal: de beste Belgische trainer aller tijden is waarschijnlijk
Raymond Goethals, en die was niet bepaald een goede speler. Wat echter
wel zeker is, is dat een topspeler sportieve ervaring heeft die een echte
meerwaarde vormt op het niveau van de coaching.
Rosalba M.
Vertaalster, An K.
|